FIC: The Sound of Silence, Dean/Castiel, Oneshot
[info]lolletrop
Title: The Sound of Silence
Author[info]lolletrop
Rating: NC-17
Paring:​ Dean/ Castiel
Word Count: ~2,000
Spoilers: Slight spoilers for season 7 [SPOILER] References to Amnesia!Cas
Disclaimer: None of these characters belong to me.
A/N: This is for you, Hania. I love you.
Also, lots and lots of thanks to [info]lavs684 for being an awesome fudge pop and helping me out on several occasions.

Summary: AU - Castiel remembers.


The Sound of Silence )


FICLET: When All Is Forgotten, Mental Patient!Castiel
[info]lolletrop
Title: When All is Forgotten
Author: [info]lolletrop
Rating: PG-13
Character: Castiel
Word Count: 223
Spoilers: Possible spoilers for season 7 episode 17 (it remains to be seen...)
Disclaimer: None of these characters belong to me.
A/N: A couple of hours ago Misha tweeted a picture and we on tumblr believe it to be a picture of Castiel as a mental patient in a hospital. This is a little ficlet I wrote based on that picture. It's absolutely too short and not very good, but it's mental patien!cas. (It's quite possible that this verse will stick with me and in that case it might become something bigger, but I'm not sure yet)

Picture: Mental Patient!Cas


When All Is Forgotten )



FIC: Bloodstream, Dean/Castiel, Oneshot
[info]lolletrop

Title: Bloodstream
Author: [info]lolletrop
Rating: PG-15
Pairing: Dean/Castiel
Word Count: ~2,100
Spoilers: AU, The End-ish
Warnings: Overall angst, [SPOILER] character's death
Disclaimer: None of these characters belong to me.
A/N: I came up with this story while listening to the song Bloodstream (hence the title) by Stateless.

Summary: Sam said 'yes' to Lucifer and the end of the world is drawing near. Dean and Castiel might have found a way to stop the devil and save Sam's soul, but in doing so Dean will have to give up the only thing he has left and he's not sure he's willing to do that...


Bloodstream )





Schaakmat
[info]lolletrop


Schaakmat

 “Schaak.” Zijn stem klonk zelfvoldaan terwijl hij zijn paard weer neerzette. Helga fronste haar voorhoofd en trachtte een manier te vinden om die zelfgenoegzame glimlach van Zalazars gezicht af te vegen.
Verschillende mogelijkheden flitsten door haar hoofd, maar geen enkele scheen goed genoeg om haar van dit verlies te kunnen redden. Uiteindelijk verplaatste ze haar koning een plaatsje naar rechts. Hoewel het haar geen overwinning zou opleveren, zou ze zo toch wat tijd kunnen winnen.
Wanneer ze terug opkeek, keek ze recht in Zalazars donkere ogen. Zijn grijns werd groter en hij waggelde met zijn wenkbrauwen.
‘Shit.’ Helga grimaste. Blijkbaar had hij ook gezien dat ze geen kant meer op kon.
‘Geweldig,’ dacht ze. ‘Net wat zijn ego nodig heeft…’
Zalazar barstte in lachen uit. “Oh, Helga… Kon je je gezicht nu maar eens zien!” Zijn lach klonk hartelijk en zorgeloos. Het was een vertrouwd geluid dat door de jaren heen niet erg veranderd was en Helga kon niet anders dan glimlachen.
“Wat zal ik zeggen? Ik kan niet altijd winnen,” lachte ze, terwijl ze haar schouders ophaalde.
“Hmm, mijn zogenaamde ‘arrogantie’ is blijkbaar besmettelijk... Ik zou maar oppassen als ik jou was. Straks word je nog zo hautain als ik!” Hoewel hij nog steeds glimlachte en een luchtige indruk maakte, was zijn uitspraak zwaar geladen. Helga besefte dit ook en haar vrolijkheid werd snel getemperd terwijl ze haar blik van hem afwendde.
Voor enkele seconden was het stil. Beiden wisten niet goed wat te zeggen.
Helga staarde naar het knetterende haardvuur en probeerde uit alle macht een onderwerp te vinden dat hen naar veiligere gespreksonderwerpen zou leiden.
Zalazar en Helga zonderden zich wel vaker af om de gebeurtenissen van de afgelopen week met elkaar te bespreken. Om de één of andere reden hadden ze het altijd goed met elkaar kunnen vinden. Hoewel ze het vaak oneens waren over bepaalde zaken, had dat hun vriendschap nooit in de weg gestaan en Helga had vele mooie herinneringen aan de tijden die ze met elkaar hadden doorgebracht.
Toch voelde het nu anders dan vroeger.
De onbezorgdheid die hun gesprekken kenmerkte, was slechts een slap aftreksel van hoe die ooit was geweest. Het voelde bijna alsof ze ieder een rol speelden nu ze hier over elkaar aan tafel zaten. Alsof ze tevergeefs de illusie levende wilden houden dat er niets aan de hand was en dat alles hetzelfde was als daarvoor. Maar Helga voelde in haar hart –hoezeer ze het ook probeerde te ontkennen- dat de persoon die over haar zat niet meer dan een vreemdeling was.
“Vind jij me eigenlijk arrogant?” vroeg Zalazar plots.
Helga keek op en haar ogen ontmoetten de zijne, terwijl ze nadacht over haar antwoord. Ook al zou ze nooit tegen hem liegen, zag ze geen reden om haar mening hardvochtig te verwoorden.
“Ik vind,” begon ze, “dat je een zeer uitgesproken mening hebt en dat je soms niet veel begrip toont voor de mensen die die mening niet met je delen.”
Hij grinnikte. “Dat is wel zeer voorzichtig geformuleerd. Laat ik daaruit afleiden dat je me inderdaad arrogant vindt.” Hoewel zijn stem opgewekt en geamuseerd klonk, zag ze aan zijn gezicht dat haar woorden hem dieper raakten dan dat ze had bedoeld of dan dat hij liet merken. Er was na al die jaren van innige vriendschap dan ook niet veel meer dat hij voor haar kon verbergen.
“Ik vind je niet arrogant,” zei ze. “Zalazar, je bent mijn vriend. Als ik je arrogant vond, zou ik je dat heus wel zeggen.” Om haar woorden van vriendschap kracht bij te zetten, reikte ze met haar hand over de tafel en kneep ze zachtjes in zijn schouder.
Hij glimlachte treurig naar haar. “Als alle mensen zo goed en lief waren als jou, Helga, zouden twist en oorlog hun betekenis verliezen.” Hij nam haar hand van zijn schouder en drukte er zijn lippen voor een fractie van een seconde tegen in een liefdevol gebaar.
“Nu moet je niet overdrijven,” lachte ze, terwijl ze tevergeefs haar blos probeerde te verbergen.
“Ik overdrijf niet. Moesten Goderic en Rowena jouw persoonlijkheid delen, zouden we acht handen op één buik zijn.”
Ah… Eindelijk kwamen ze aan bij het onderwerp dat geen van beide deze avond had durven aansnijden. Als twee getalenteerde dansers hadden ze er rond gedraaid. Zelden hadden ze het gewaagd om die denkbeeldige grens te overschrijden.
Maar nu waren ze er en terugkeren was geen optie.
“Je kan het hen niet kwalijk nemen, Zalazar. Rowena en Goderic komen enkel uit voor hun overtuigingen. Net zoals jij dat doet.”
Helga was zich maar al te bewust van de spanningen die alom tegenwoordig waren deze dagen en die vaak uitdraaiden op hevige discussies of conflicten. Ze had zich er wijselijk buiten gehouden. Niet omdat ze geen mening had, maar omdat ze geen kant wou kiezen. Haar eigen overtuigingen zouden haar dan ook pal tegenover die van haar trouwste vriend plaatsen en ze wist nog niet zeker of ze dat er wel voor over had. In haar ogen was ‘het kwaad’ niet groot of ernstig genoeg om er zo’n drama rond te maken.
Hoewel Zalazar andere ideeën had, was ze ervan overtuigd dat ze hem de fouten en oneerlijkheden ervan konden doen inzien en hem zo konden doen bijdraaien.
Zalazar was geen slecht persoon. Hij had gewoon een aantal uitgesproken opvattingen die niet allemaal even behoorlijk waren.
“Waarom mag ik het hen niet kwalijk nemen? Zij zorgen er immers voor dat de naam van onze school bezoedeld raakt.”
Helga kneep haar ogen dicht. Ze had niet graag dat hij zo sprak, dat hij zijn stem gebruikte voor het verwoorden van zulke akelige dingen. Het herinnerde haar eraan dat hij veranderd was. Dat hij niet meer haar Zalazar was.
Nee, dat was hij al lang niet meer…
“Alsjeblieft…” begon ze, maar het woord was nog maar net over haar lippen of Zalazar ging alweer verder.
“Ik bedoel… Moeten wij nu echt die naam krijgen? We zouden er zo goed aan doen als we enkel volbloed kinderen toelieten. Helga, stel je voor wat we daar mee zouden kunnen bereiken! Het zou een primeur zijn in de tovenaarswereld. We zouden geschiedenis schrijven!”
“We hebben al geschiedenis -” Maar hij onderbrak haar opnieuw.
“Maar nee! Griffoendor met al zijn heldendaden voelt zich weer geroepen om op te komen voor de minderen. Rowena huppelt natuurlijk achter hem aan zoals ze dat altijd gedaan heeft… en geen van beiden beseft wat we hierdoor verliezen…” Hij snoof. “In plaats van de grootste tovenaars ter wereld voort te brengen, houden we ons bezig met de jongen van dreuzels. Wij, hun leerkrachten die hen zouden moeten onderwijzen, zouden hen moeten aanleren waar de werkelijke eer en prestige ligt. Maar wat doen we? Waar heeft het grote plan van Heer Goderic Griffoendor tot geleid? Een broeikast voor modderbloedjes…”
Helga stond in één beweging recht, haar handen gebald naast haar zijden. Ze kon het niet meer aanhoren. Ze kon zijn schandelijke woorden niet langer in stilte uithoren. Haar wangen brandden en voor de eerste keer in haar leven kostte het haar moeite om haar eeuwige kalmte te bewaren. Zalazar viel stil door haar plotse beweging.
“Ik zou het fijn vinden, moest je hen niet zo noemen,” zei ze door opeengeklemde kaken.
“Waarom? Het is uiteindelijk wat ze zijn. Dat zal zelfs jij moeten toegeven… Hun bloed is niet zuiver, Helga…” Hij klonk ongeduldig alsof hij niet begreep dat iemand iets dat voor hem zo logisch was, over het hoofd kon zien. Alsof hij de verdorvenheid van zijn eigen woorden niet opmekte.
“Ben je soms vergeten dat ik ook ‘maar’ een halfbloed ben?” Helga’s stem was wezenloos, ontdaan van elke vorm van emotie.
Zalazar die zo was opgegaan in zijn monoloog, werd bruusk teruggehaald naar de realiteit bij het horen van de doodsheid in haar stem.
“Nee, nee, natuurlijk niet…” Hij stond ook recht en wandelde naar haar toe, maar van zodra hij voor haar stond, besefte hij dat hij niet wist wat hij moest doen om haar terug op te beuren. Hij strekte zijn hand uit naar haar gezicht, maar liet die weer naast zich vallen.
Helga kon hem niet in de ogen kijken. Niet nu.
Ze hield haar blik expres gericht op de witte kraag van zijn hemd en zag zodoende niet het schouwspel aan gevoelens die nu zo openlijk over zijn gezicht kropen.
“Helga, ik zou jou nooit je afkomst verwijten,” zei hij met een glimlach, in een poging haar te troosten. “Daarbij, jouw vader is afstammeling van een reeks zeer gerespecteerde families.”
Helga kon niet geloven dat van alle dingen die hij had kunnen zeggen of doen, hij dit koos om haar op te beuren. Het was zo absurd dat het bijna komisch was.
“Wat is het toch met jou en ‘zuiver bloed’?” vroeg Helga uit oprechte nieuwsgierigheid. “Waarom moet alles bij jou draaien om families en banden en afkomst? Is het dan zo moeilijk om een persoon te zien voor wie hij is? Is het zo onmogelijk om iedereen als een gelijke te behandelen ongeacht vooroordelen?”
Zalazar keek verward naar Helga. “Luister naar jezelf. Je vraagt me om iedereen als een gelijke te behandelen. Maar dat is net het punt: We. Zijn. Niet. Gelijk.” Hij benadrukte elk woord zoals je dat doet wanneer je iets aan een kind uitlegt. “We zijn niet gelijk en we zullen ook nooit gelijk zijn. Helga, denk nu eens heel even logisch na en probeer mijn standpunt te zien. Hoe kan iemand die uit een lijn voortkomt met niets anders dan dreuzels als voorouders en die toevallig over toverkrachten bezit evenwaardig zijn aan iemand die uit een eeuwenoude lijn van tovenaars en heksen komt? Dat kan toch gewoonweg niet?! De laatste moet dan toch in kracht superieur zijn aan de andere? Als wij ons nu enkel op hen, de superieuren, concentreren in plaats van onze tijd te verdoen met mod-… kinderen van dreuzels… Stel je voor wat voor een machtige tovenaars hier dan zouden afstuderen!”
Helga kon alleen maar toekijken, terwijl hij droomde van zijn alternatieve Zweinstein dat in zijn ogen perfect was.
Ze zuchtte. “Je bent mijn vriend, Zalazar, en ongeacht je overtuigingen of ideeën zal je dat ook blijven, maar ik ben het absoluut niet met je eens. Dus laten we er nu alstublieft over op houden.”
Zalazar keek haar achterdochtig aan en kneep zijn ogen tot spleetjes. “Sta je soms aan hun kant?”
Dit was echt onmogelijk! Hij was onmogelijk.
Helga voelde zich uitermate uitgeput en wenste vurig dat hij zou ophouden. Ze snapte niet hoe hij zo hard en wantrouwend had kunnen worden. Wat was er met hem gebeurd? Wat had ervoor gezorgd dat hij zo begon te denken? Vertrouwde hij zijn eigen vrienden nu niet meer?
Zoveel vragen en bijna geen antwoorden.
Arme man,’ dacht Helga, want het scheen haar uiterst onaangenaam om een leven te leiden waarin je zelfs argwaan koesterde tegen je vrienden.
Zalazar was nog steeds naar haar aan het staren en ze besefte dat hij wel degelijk een antwoord verwachtte.
“Ik sta aan niemands kant,” zei ze simpel.
Plotseling begon hij luid te lachen. Geen hartelijk geluid, maar een sinistere klank die door merg en been ging. De klank zond rillingen doorheen haar lichaam.
“En ik moet dat geloven? Denk je nu echt dat ik zo stom ben dat je hier tegen mij kan staan liegen zonder dat ik iets door heb? Laat me niet lachen!” Hij spuugde deze woorden in haar gezicht en begon rusteloos door de kamer te ijsberen.
Helga voelde zich gekwetst door zijn woorden. Ze kon niet geloven dat hij dacht dat ze hem, haar vriend, zo gemakkelijk zou verraden. “Ik ben ervan overtuigd dat jij niet stom bent en je mag van mij absoluut geloven wat je wilt, maar als jij ook maar met een fractie van je hersenen denkt dat ik tegen je lieg of dat ik achter je rug meewerk aan één of ander masterplan… dan vind ik je ronduit achterlijk!”
“Dus je vindt me achterlijk?”
“Ugh! Dit is echt onmogelijk! Jij bent onmogelijk!” Helga kon haar haren wel uittrekken van frustratie. Waarom deed ze eigenlijk nog moeite? Hij verdraaide toch ieder woord dat over haar lippen kwam. “Weet je, Zalazar, als het zo zit, heb ik liever dat je door gaat… Je bent jezelf niet.”
In een flits stapte Zalazar weer naar haar toe, zijn blik verwilderd en zijn ogen razend. “Bij Merlijn, wie ben jij in hemelsnaam om uit te maken dat ik ‘mezelf niet ben’?!!” Hij kwam dichter en dichterbij en Helga deed een aantal stappen achteruit in een poging om de afstand tussen hem en haar te bewaren. Maar het maakt niets uit. Zalazar bleef doorstappen tot zij met haar rug tegen de muur stond en hij vlak boven haar uittorende. Met een bruut gebaar greep hij haar schouders vast en schudde haar door elkaar.
Een koud gevoel bekroop haar wanneer ze in zijn ogen keek. Ze brandden en straalden een hoeveelheid woede uit waarvan Helga niet wist dat je die in je kon hebben.
“Wat weet jij eigenlijk over mij? Niets! NIETS!! Dus doe niet alsof je me kent, Helga Huffelpuf. Daar maak jij je alleen maar belachelijk mee!!” Zijn stem klonk oorverdovend in de anders stille ruimte en voor een vluchtig moment was Helga bang. Bang omdat ze besefte dat ze hem zo niet kende en zijn volgende stap niet kon voorspellen.
Iets diep in haar voelde alsof het langzaamaan afbrokkelde.

Hij was veranderd.

Goderic had gelijk.

Zalazar ademde luid. Hij had zich blijkbaar buiten adem geroepen. In de stilte scanden zijn ogen haar gezicht en nestelden ze zich op haar mond. En voor één moment leek het alsof hij haar ging kussen. Hij loste zijn greep op haar schouders en liet ze naast zijn zij vallen. Met een haast trillende hand veegde hij een gouden lok voorzichtig uit haar gezicht en liet zijn vingertoppen over haar wang glijden. Helga sloot haar ogen en haalde haperend adem, terwijl ze dit nieuwe gevoel in haar trachtte op te nemen.
Wanneer ze haar ogen weer opende, zag ze hem dichter naar haar toe leunen en ze zette zich schrap voor om het even wat er nu zou volgen.
Maar in het midden van zijn beweging leek hij zich te bedenken. Hij zuchtte en deed vervolgens bedachtzaam een stap terug.
Helga wist niet wat ze moest denken. Haar gedachten swingde door haar hoofd en ze probeerde ze onder controle te krijgen. Ze zou hier later wel over nadenken.
Zalazar scheen niet te weten waar hij moest kijken. Blijkbaar was hij even geschrokken over wat er zonet bijna gebeurd was als zij.
Het duurde een tijdje vooraleer ze in staat waren elkaar weer aan te kijken. Maar wanneer Zalazar eindelijk weer opkeek, relaxte Helga een beetje. Zijn ogen zagen er weer normaal uit. De storm was over.
“Het spijt me Helga. Ik-… Ik had niet tegen je mogen roepen. Dat was niet mijn bedoeling,” zei hij stil.
“Dat weet ik,” antwoordde ze hem abnormaal kalm met een geforceerde glimlach.
“Ik word er alleen zo kwaad van… Als ik er nog maar aan denk dat…” Hij maakte zijn zin niet af en perste zijn lippen opeen. Met zijn handen op zijn rug, staarde hij met een frons uit het raam naar de donkere sterrenhemel.
“Ik denk dat ik maar eens ga,” zei hij met een kleine glimlach. Hij stapte naar voren en nam haar hand teder in de zijne waarna hij er zijn lippen op drukte.
“Goedenacht, lieve Helga.” Het timbre van zijn stem was teruggekeerd naar de charmante klank van weeleer, maar zijn uitbarsting van zonet maakte het onmogelijk voor Helga om er gecharmeerd door te zijn. Dus in plaats daarvan lachte ze eventjes, trok ze haar hand terug uit de zijne en fluisterde ze: “Slaapwel.”
Na een laatste blik op haar te werpen, draaide hij zich om en beende hij de kamer uit.
Van zodra de deur achter hem toeviel, zakte Helga in elkaar. Haar ademhaling was zo snel dat ze hem bijna niet kon bijhouden. Haar gedachten kwamen allemaal tegelijkertijd en leken in paniek door en over elkaar te struikelen. Haar hele lichaam trilde terwijl ze de werkelijke grootte van haar angst voor het eerst inzag.
Vraag na vraag rees in haar op. “Ben je er zeker van dat je hem wel ooit hebt gekend?” Goderics harde woorden galmde weer door haar hoofd. Nee, nee… Ze was helemaal niet zeker. Niet na vanavond.
Wanhopig vroeg ze zich af of dit zijn ware aard was en dat zijn charmante persoonlijkheid die hem tot haar vriend gemaakt had slechts een productie van haar eigen fantasie was geweest. Dat Zalazar niet meer dan een slaaf van zijn eigen ambities was. Ambities die dicht aanleunden tegen waanzin.
Maar ze kon zichzelf niet toestaan zo te denken… Er was nog steeds vriendschap tussen hen en ze geloofde niet dat ze zijn plezierige karakter had ingebeeld. Nee, wie hij nu was, was een gevolg van iets waarvan ze de oorzaak niet kende.
Haar vriend zat nog steeds ergens verborgen achter dat dik pantser van trots en hooghartigheid. Ze wist alleen niet of dat pantser nog te doorbreken was.
Haar blik dwaalde af naar haar bureau waar een brief zorgvuldig was verstopt onder een hoop andere papieren. Goderics brief.
Het enige wat haar nog te doen stond, was een antwoord schrijven en alles zou veranderen. Alles.
Gezichten van leerlingen flitsten aan haar ogen voorbij. Allen zoons en dochters van dreuzels. Allen even getalenteerd. Allen even gehaat en oneerlijk veroordeeld door haar goede vriend. Tot slot dacht ze aan hem. Aan Zalazar. Aan wat hij voor haar betekende of betekend had. En ze besefte dat ze hem tegen zichzelf moest beschermen. Dat ze hem moest beschermen tegen zijn idiote vooroordelen en er was maar één manier om dat te doen.
Ze stond op en wandelde terug naar het vergeten schaakbord. Alle pionnen in dezelfde positie als die waarin ze waren achtergelaten. Ze strekte een bevende hand uit en duwde Zalazars koning omver.
“Schaakmat,” fluisterde ze.

----

(art by fyeahhogwartsfounders)

De Spiegel der Waarheden
[info]lolletrop




De Spiegel der Waarheden

Het kan zo niet verder. Er moet iets gebeuren. Verandering ís hoogst noodzakelijk... Goderic knikte instemmend terwijl deze gedachten door zijn hoofd spookten. Het kan zo niet verder. Inderdaad, het kon niet zo niet verder, maar wat moest hij doen? Wat kon hij doen?
Hij kneep zijn ogen dicht en wreef met zijn robuuste hand over zijn voorhoofd. Het waren deze vragen die hem zijn nachtrust ontnamen. Nachtenlang hadden ze hem al wakker gehouden, hem verboden te vluchten in de onwetendheid van de droom. Ze waren het laatste waar hij aan dacht voor hij in slaap viel en het eerste wanneer hij weer ontwaakte. Hij scheen aan niets anders meer te kunnen denken.
De laatste dagen, maanden –bij Merlijn, misschien zelfs wel de laatste jaren- was het duidelijk geworden dat zijn visie, gesteund door die van Rowena en Helga, meer en meer verschilde met die van Zalazar. Goderic slaakte een diepe zucht en schudde zijn hoofd. Wie had ooit gedacht dat de ambitie waarvan hij ooit meende dat ze te bewonderen was, nu de oorzaak van al zijn kopzorgen zou zijn?
Hij probeerde zich te herinneren wanneer Zalazars ideeën de zijne begonnen tegen te spreken, maar hij kon het exacte moment niet terugroepen. Daarbij, waren ze niet altijd al anders geweest? Goderic lachte en hoewel zijn lach slechts een schim was van de hartelijk grinnik die vroeger door zijn borstkas galmde, nam het toch ietsje van zijn spanning weg.
Een vreemd gevoel van nostalgie overspoelde hem terwijl hij terugdacht aan die eerste dagen. Er was nog geen Zweinstein, geen school, niets. De grondvesten van dit gebouw waren niet meer dan een onherbergzaam gebied, maar voor vier vreemdelingen was het zoveel meer. Voor hen was dit een mogelijkheid om de droom waar ze eerst ieder afzonderlijk mee gespeeld hadden en die ze daarna samen deelden, in vervulling te laten gaan. Het was zeker niet gemakkelijk geweest en meningsverschillen waren dagelijkse kost, maar hun gemeenschappelijke droom bond hen op een manier die mensen slechts zelden ondervonden. Het was een passie, een stem die groter was dan henzelf en ze konden niet anders dan ernaar luisteren en eraan toe geven.
‘Misschien is dat het probleem,’ dacht Goderic plots. ‘Nu we ons doel bereikt hebben, is er niet langer iets dat ons bindt.’
Met een zucht nam hij het verfrommelde stukje perkament dat op de hoek van zijn bureau lag, weer op.



Ik, Lucana Hopland, zal de les niet storen met mijn door dreuzels aangeleerde mening en door dreuzels beïnvloedde geest. Ik zal enkel aanwezig zijn in gedaante en zal niet, nooit, mijn leraar vragen stellen die voor ieder ander waardige toverstafbezitter zo klaar zijn als violierwater. Mijn aanwezigheid moet in elk opzicht geruisloos en -in de mate van het mogelijke- onopgemerkt voorbijgaan. Indien ik, Lucana Hopland, dochter van dreuzels en afstammeling van een lijn die nooit iets indrukwekkender verwekt heeft dan een doorsnee magieloze levensvorm, mij nogmaals laat opmerken tijdens of buiten de lessen en zodoende de rust van puurbloed leerlingen met mijn nietigheid verstoor, onderbreek of hinder, zal ik daarvan de gevolgen moeten dragen. Ik mag ten allen tijden mijn inferioriteit en betekenisloosheid op deze school niet vergeten. Ik moet mijn plaats kennen ten opzichte van andere, meerwaardige, tovenaars en heksen. Mijn onrein bloed is immers een smet voor deze school.

Ik, Lucana Hopland, zal de les niet storen met mijn door dreuzels…



En zo ging het nog een tijdje door.
Lucana Hopland was een leerling uit Godrics afdeling. Toen hij ze ’s avonds laat nog vlijtig schrijvend in de leerlingenkamer had aangetroffen, vroeg hij zich af wat zij in hemelsnaam belangrijker dan haar eigen nachtrust achtte. Al snel kreeg zijn nieuwsgierigheid het beste van hem en was hij naar haar toegelopen om over haar schouder mee te lezen wat ze zo geconcentreerd op dat stuk perkament neerpende. De geïnkte woorden staarden hem recht in het gezicht en waren alles behalve wat hij had verwacht.
Een ijzig vuur raasde door zijn lichaam en het kostte hem veel moeite om kalm te blijven.
Zachtjes had hij zijn hand op Lucana’s schouder gelegd en haar aangeraden te gaan slapen. Met een glimlach had hij haar bezwaren weerlegd, zeggende dat dit strafwerk een vergissing was en dat ze zich er niets van hoefde aan te trekken.
Zodra ze weg was, had hij zich in haar stoel laten vallen en zijn handen in vuisten gebald.
Hij mocht Lucana. Ze was een hardwerkende en behulpzame leerlinge. En ook al waren haar ouders niet-tovenaars, het stond vast dat ze een grote hoeveelheid kracht bezat. Goderic had zijn ogen opnieuw over het perkament laten glijden en knarste zijn tanden. Dit was verkeerd.
Beledigingen en vernederingen als straf kwamen wel vaker voor op Zweinstein. Het was dan ook niet de toon van de tekst die hem zo dwars zat. Nee, het was de inhoud. Uit de opgelegde woorden sprak zo’n haat en neerbuigendheid jegens het meisje dat Goderic niet anders kon dan geschokt zijn. En hoewel zijn naam nooit effectief in de kamer uitgesproken was, stond het buiten kijf dat Zalazar de zender van deze woorden was. De hele tekst rook naar hem en zijn belachelijke vooroordelen. ‘Modderbloedjes’ zo noemde hij hen. Alsof hun bloed op één of andere manier onzuiver was omdat ze niet rechtstreeks afstamde van een lijn van tovenaars en heksen.
‘Belachelijk,’ dacht Goderic en hij schudde de herinnering van die ongelukkige ontdekking van zich af.
Hij stond recht en wandelde naar een tafeltje dat dichtbij de openhaard stond. Op het tafeltje stond een glazen fles gevuld met een roodkleurige vloeistof.
“Poculum Apperendum,” fluisterde hij terwijl hij met zijn toverstaf naar zijn linkerhand wees. Uit het niets verscheen er plots een koperen beker gesierd met het embleem van Griffoendor. Goderic ontkurkte de fles en schonk zichzelf een glas elfenwijn in. Dat had hij wel verdiend.
Hij keerde zijn rug naar de haard en staarde naar zijn bureau terwijl hij een voorzichtig slokje nam. De robijnrode drank gleed door zijn keel alsof het lucht was. Het rijke aroma vulde zijn mond en de smaak prikkelde zijn papillen op een heerlijke wijze. Het leek wel alsof hij de smaak tot in het diepste van zijn vezels kon proeven. Geweldige wezens die Elfen…
Goderic was nog volop aan het genieten van zijn eerste slok toen zijn blik weer naar het perkament werd getrokken. Hij fronste zijn voorhoofd terwijl een voor hem vreemde sensatie door zijn lichaam vloeide.
Hij twijfelde.
Hij, de dappere Goderic Griffoendor, Strijder van de Eerste Orde, twijfelde.
Voor het eerst in een lange tijd wist hij niet wat hij moest doen.
Het was duidelijk dat het zo niet verder kon. Nee… Hij schudden zijn hoofd. Nee, niets doen zou laf en schandalig zijn daarvan was hij overtuigd. Hij moest nu handelen voordat de dingen nog verder uit de hand liepen. De enige vraag die hem nog restte, was hoe.
Had hij nu maar de vastberadenheid die Rowena zozeer bezat. Het zou hem een heleboel last en zorgen besparen. Hij glimlachte zachtjes bij de gedachte aan zijn dierbare vriendin.
Hoewel hij hen alle drie als zijn vrienden zag, was Rowena hem het dierst. Zij had steeds een heldere kijk op om het even welke situatie en hielp hem vaak het grotere plaatje te zien.
Ze hadden elkaar al over dit probleem gesproken en Goderic wist dat wat hij ook besloot te doen, Rowena hem zou steunen. Ze deelde zijn overtuigingen en had zelf ook al lang gezien dat Zalazars idiote vooroordelen probleem na probleem veroorzaakte.
Hij betrapte zichzelf op zijn wens dat Rowena nu hier bij hem zou zijn. Hij wou haar gedachten horen en haar het verdoemde stuk perkament laten zien. Hij wou haar geruststellende logica tot zich laten doordringen. Hij wou… haar stem horen.
Hij wou zoveel.
Hij nam opnieuw een slok van de wijn en zuchtte. Hij voelde in elke cel van zijn wezen dat er grote veranderingen op til waren. Wat hij ook besloot, zijn beslissing zou zware gevolgen hebben voor iedereen hier op Zweinstein.
Hij draaide de koperen beker rond in zijn hand en keek een tijdje naar de rondkolkende drank die zo licht was dat hij amper de randen raakte. Met zijn ogen nog steeds op de wijn gericht, wandelde hij terug naar zijn bureau en zette zich neer in zijn stoel.
Met schijnbare tegenzin, plaatste hij zijn beker voorzichtig op tafel en vouwde zijn handen alvorens zijn hoofd er tegen te rusten. Goderic voelde zich uitgeput en hij leek zich voor het eerst te beseffen dat er al ettelijke jaren verstreken waren sinds zijn onbezorgde jeugd.
Vanuit zijn ooghoeken zag hij het strafwerk liggen en in een opwelling van brandende irritatie graaide hij het verdomde stuk papier van tafel en rukte hij een la open, maar net op het moment waarop hij het bruusk in de la wilde stouwen, bemerkte hij een schitterend object dat zijn aandacht greep. Zonder het te beseffen relaxte hij zijn hand en liet het perkament vallen.
Hij strekte zijn hand uit en haalde voorzichtig –alsof het zijn meest dierbare schat was- het sierlijke, zilveren handspiegeltje uit de lade. Het schemerende kaarslicht dat de enige bron van verlichting in deze kamer was, deed het spiegeltje mysterieus glinsteren. De rand was bezet met een rijtje saffieren. Rowena.
‘Natuurlijk,’ dacht Goderic. ‘Natuurlijk… Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb!’ Hij kon zichzelf wel een schop geven.
Terwijl hij zijn eigen beeltenis in de spiegel bekeek, voelde hij een gewicht van zijn schouders vallen waarvan hij niet eens besefte dat hij het met zich mee droeg.
‘De Spiegel Der Waarheden’, een geschenk van Rowena.
Ze had één van haar spiegeltjes betoverd zodat het de waarheid toonde die ontstond nadat je een keuze gemaakt had. Ze had hem verteld dat deze spiegel hem de gevolgen van zijn keuzes zou laten zien. Het enige wat hij hoefde te doen was een beslissing maken en vervolgens naar zijn beeltenis kijken om de gevolgen te weten te komen.
Dus dat was wat hij deed. Hij tuurde en tuurde in de spiegel, maar zag niets. Hij hief de spiegel op en bekeek hem langs alle kanten, hopend dat een andere inval van licht het beeld zou veranderen. Maar het enige dat hij zag, was zichzelf. Geen verandering. Niets. De spiegel toonde niets anders dan datgene dat hij altijd zag wanneer hij naar zijn spiegelbeeld keek.
Hij legde het spiegeltje naast zich neer en slaakte een diepe zucht. Tot zover zijn briljante ingeving.
Misschien moest hij dit opvatten als een teken. Misschien moest hij zich er gewoon bij neerleggen dat Zalazar andere ideeën had en dat ze het op sommige gebieden nooit eens zouden kunnen zijn. Misschien… Misschien zou het vanzelf overgaan. Ja, Goderic kon met hem gaan praten. Per slot van rekening waren ze nog steeds vrienden. Misschien zou hij er deze keer in slaan zijn vriend reden te doen inzien.
Plotseling zag hij iets blauws naast hem oplichten. Een licht dat steeds heviger en heviger werd tot het hem bijna verblindde. In paniek keek hij om zich heen, zoekend naar waar het licht vandaan kwam. Het duurde echter niet lang voor hij besefte dat het licht afkomstig was van het spiegeltje.
Onzeker van wat hem te wachten stond, nam hij het spiegeltje in zijn hand en keek recht doorheen de blauwe gloed naar het gladde oppervlak. Waar zo-even zijn beeltenis nog gestaan had, zag hij nu verschillende beelden voorbij flitsen.

Rowena die hem de rug toekeerde. Een huilende Helga. Zalazar op zijn stoel in de grote zaal, zonder iemand om zich heen. Ruïnes… Het duurde een tijd voor hij door had dat de ruwe rotsblokken die hij zag zich op exact dezelfde plaats bevonden als de plek waar nu Zweinstein stond. Dood… Verderf… Duisternis… Hij hoorde schreeuwen en voelde pijn.

Met een luide kreet smeet hij de spiegel weg en de beelden verdwenen zo snel als dat ze verschenen waren.
Goderic zat hijgend in zijn stoel en trachtte te bekomen van wat hij zonet had gezien. Was dat wat er gebeuren zou als hij niets deed? Waren ruïnes en dood het enige wat zouden resten van hun geliefde levenswerk als hij nu niet ingreep?
Nooit eerder had Goderic zich zo beklijfd gevoeld en nooit eerder was hij zo vastbesloten geweest om iets te doen. Om het even wat. Hij zou alles doen wat nodig was om te voorkomen dat die beelden werkelijkheid zouden worden.
Opnieuw lichtte de spiegel blauw op en deze keer nam Goderic de spiegel met minder nieuwsgierigheid op en zocht hij naar de waarheid met meer tegenzin.

Rowena, Helga en hij zaten zij aan zij op hun eigen tronen in de grote zaal. Naast hem stond een verlaten, vierde troon. Geen Zalazar.

Hij had genoeg gezien. Goderic legde het spiegeltje voorzichtig weer terug in de lade.
Hij wist wat er hem te doen stond.

----------

(art by hariboo)

You are viewing [info]lolletrop's journal